Rond 1630 koloniseerden de Nederlanders de benedenwindse eilanden. Rond deze tijd werden de eerste Afrikaanse slaven naar Bonaire vervoerd om te werken in de zoutwinning.
In de nabijheid van de zoutpannen werden kleine slavenhuisjes aangelegd die dienden voor het nachtelijke verblijf van de slaven. In het weekeinde liepen de slaven terug naar hun verblijf in Rincon, een wekelijks terugkerende voettocht van 35 kilometer.
Zout is het belangrijkste exportproduct van Bonaire. Via verbindingskanalen wordt zeewater de zoutpannen ingevoerd. Door het verdampingsproces kleurt het water langzaam dieproze.
De volledige verdamping van een zoutpan duurt soms wel een jaar. Het ruwe zout wordt uiteindelijk uit de pannen geschept, gewassen, gefilterd en te drogen gelegd. De zoutbergen die zo ontstaan, zijn al vanaf grote afstand te zien.
